Vandaag, 8 oktober, verschijnt de vernieuwde Vrij Nederland, blad en site, met meer inhoud, meer interactie en meer service.
In de aanloop klopten journalisten van andere media aan voor een verhaal. Opvallend was het groot aantal verwijzingen naar dit laboratorium. Uit de spreekwoordelijke knipselmap waren berichten opgediept waaruit zij concludeerden dat wij dit lab hadden geopend uit wanhoop: vertel het ons maar, wij weten ook niet meer hoe het verder moet.
De medewerkers van dit lab weten beter. Wij waren al langer bezig met een plan ter verbetering van blad en site. Het lab was een experiment na een interview met Jeff Jarvis. Het ging om de lange termijn: hoe zou zijn vergezicht op echt vernieuwende journalistiek in de praktijk kunnen werken? Die vraag leverde interessante bijdragen en contacten op.
Maar wij ontvingen ook veel reacties voor de verbetering van Vrij Nederland op de korte termijn. Daar hebben wij ons voordeel mee gedaan. Meer dialoog, meer interactie, karaktervoller, scherper en actueler. Dat kwam telkens naar voren, hier op het Lab en tijdens lezersonderzoeken. Zoals Paul Vereijken schreef: ‘De waarde van VN moeten eigenzinnige analyses en achtergrond bij het nieuws zijn. Een blad als VN koop ik omdat de manier waarop het nieuws geduid wordt mij bevalt. En natuurlijk ook omdat de schrijfstijl mij aanstaat. Maakt het dan nog wat uit of het op papier staat op of het web? Of allebei? Nee. Als je de krachten van dat medium maar gebruikt, niet’.
Zo hebben wij er tijdens de ideeënvorming over en het bouwen aan de vernieuwde Vrij Nederland ook over gedacht. Het doel: uitblinken in achtergrond en duiding. Zowel in inhoud als vorm, online en in het blad. Het resultaat is in de winkel en hier te vinden.
En het Lab? Op 19 juni maakten wij de tussenbalans op en meldden wij dat wij verder gaan met het lab, waarbij wij andere thema’s dan de eigen toekomst willen aansnijden. Onze aandacht moest de afgelopen maanden in de eerste plaats uitgaan naar de uitvoering van onze vernieuwingsplannen, dus dat heeft nog wat tijd nodig.
Maarten van Vulpen schreef 17 mei op het Lab ‘het meest belangrijke is om af en toe te investeren, experimenteren en niet bang te zijn om een misstap te maken’.
Helemaal mee eens. We blijven op de redactie experimenteren om onze journalistieke ambities waar te kunnen maken. Dan doen we ook op het Lab. We zullen het Lab gebruiken om onderzoeksjournalistiek en debatten verder te brengen, door samenwerking met deskundigen en betrokkenen. Geen vrijblijvende uitwisseling van opinies, maar gerichte zoekacties naar feiten en argumenten die onthullen en/of verhelderen. Daar lag de kracht van dit Lab tijdens de eerste fase en ligt de grootste kans voor de volgende.
Ondertussen zijn wij benieuwd naar jullie reacties op het vernieuwde Vrij Nederland – niet het sluitstuk, maar het begin van een nieuw journalistiek avontuur in een snel veranderende mediawereld. Dat kan door een bericht achter te laten op het Lab, te reageren op de site, een mail te schrijven naar of een brief te sturen naar Vrij Nederland, postbus 1254, 1000BG, Amsterdam.
Frits van Exter
fvexter [@] vn.nl
Maurits Martijn
Maurits.martijn [@] vn.nl
Frits van Exter en Maurits Martijn
Het Lab is nu ruim anderhalve maand online en heeft VN een aantal lessen geleerd. We gaan met die lessen en opgeborrelde suggesties aan de slag. Hieronder een korte samenvatting met onze eigen reacties:
1. Het lab is een teken van kracht/zwakte
Sommige laboranten verwelkomden ons initiatief – eindelijk zet VN de ramen open – anderen vonden het meer spuit elf, een wanhopige marketingtruc of een blijk van gebrek aan zelfvertrouwen. ‘Hallo! Jullie maken de media. Ik ben een lezer: boei me! Leer me wat! Vermaak me!’De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het een vrij spontane actie was naar aanleiding van het interview met Jarvis. Zijn geloof in de kracht van de verbinding met anderen, bracht ons ertoe dat in de praktijk te beproeven, te beginnen met de vraag naar ons eigen voortbestaan in een nieuwe mediawereld.
Wij waren blij verrast met de vele bijdragen waaruit een grote betrokkenheid bleek, ook van degenen die ons min of meer hadden of hebben opgegeven. Wij hebben de discussie niet heel actief gestuurd, maar slechts reacties gevraagd op enkele voorzetten. In een echt lab zou dat anders gaan en wellicht zou dat ook voor een vervolg van ons lab gelden: het moet tenslotte ergens toe leiden.
2. Zeg nu eerst maar eens zelf wat je wil.
Sommige critici van het lab zeggen dat Vrij Nederland eerst maar eens duidelijk moet maken wat het wil, waar het voor staat. De redactie kan natuurlijk wel roepen dat zij dat best weet, het gaat erom dat het niet over komt. Dat is een belangrijk punt; kennelijk is de missie van VN vaag. Daarover wisselen wij al enige tijd stevig van gedachten. Als het goed is moeten de resultaten elke week zichtbaarder worden. Vrij Nederland wil met goede journalistiek van betekenis zijn voor mensen die vooruitstrevend zijn, niet omwille van verandering per se maar omdat er in dit land en deze wereld het nodige aan de hand is wat om verandering/verbetering vraagt. De aansporingen vanuit het lab zijn daarbij welkom.
3. En begin dan bij het blad.
Uit de bijdragen van lezers kwam ook het welgemeende advies eerst het blad te verbeteren: karaktervoller, scherper, humoristischer, actueler.. Wij begrijpen dat advies goed. Sterker, wij zijn daar al enige tijd mee bezig; wij willen zo snel mogelijk meer lezers ervan overtuigen dat VN er meer toe doet.
4. Daarna zou je tenminste de bestaande site op peil moeten brengen.
Met recht stellen medewerkers vast dat VN achter loopt. Dat heeft voordelen – je kunt leren van de fouten die anderen maken – maar je kunt niet eindeloos toezien. Wij gaan de site vernieuwen. De suggestie en ideeën op het Lab hebben ons dit nogmaals duidelijk gemaakt en helpen ons nu bij de invulling ervan. Wordt vervolgd, en suggesties blijven welkom
5. Internet is 24/7, VN is een postkoets.
De kracht van Vrij Nederland is dat het een keer per week de tijd stil zet. Het verplicht tot een scherpere selectie – wat is zin en wat is onzin? – tot diepgang en een eigen kleur. Op internet draait de mallemolen van nieuws en meningen constant door. Wat heeft Vrij Nederland daar dan nog te zoeken? Het simpelste antwoord is dat VN met de mentaliteit van een weekblad zijn voordeel moet doen met het snelle internet: geen deadline, geen drukker, geen distributie. Wat sneller verspreid kan worden mag sneller verspreid worden, mits het kwalitatief onderscheidend is.
6. Moeten we ook aan geld denken?
Een wat banale, maar voor ons persoonlijk toch relevante vraag: valt er met journalistiek ook geld te verdienen in de nieuwe wereld? Afgaande op de meeste reacties moet het antwoord luiden: een beetje misschien. In de ogen van sommige medewerkers is het overigens bijna een ongepaste vraag. Het zou journalisten om hogere idealen moeten gaan dan het salaris. Anderen manen ons om zo lang mogelijk verzet te plegen tegen het ‘alles-moet-gratismodel’. Wij denken dat de verdere ontwikkeling van het weekblad in combinatie met een actuelere en aangepaste website, waar gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die het web biedt, de beste mogelijkheden zijn om ons bestaansrecht ook online te versterken. Na VN Lab 1.0 is het hoog tijd voor Lab VN 2.0.
7. En als je toe bent aan een volgende stap, begin dan met ‘co-creatie’.
De meeste weerklank vinden gedachten over samenwerking, waarbij VN zich verbindt met deskundigen en betrokkenen om onderzoeksjournalistiek en debatten verder te brengen. Het lab over de vraag naar onze toekomst was al een voorbeeld, wij zouden daar graag mee doorgaan, ook op andere thema’s. Wij willen dan ook met het lab een nieuwe stap zetten. Op basis van een maatschappelijke vraag of stelling, willen wij niet zozeer een vrijblijvende uitwisseling van opinies, maar een gerichte zoekactie naar feiten en argumenten die onthullen en/of verhelderen. Suggesties blijven welkom.
De belangrijkste les is dat het samen met anderen nadenken, debatteren en onderzoeken in een online omgeving werkt en ons goed bevalt. De eerste ronde – de Jarvis test – is klaar. Daar stonden wijzelf en onze toekomst centraal. Maar ook andere onderwerpen lenen zich goed voor deze vorm. Het Lab zal een laboratorium blijven, waar vooral vormen van samenwerking en co-creatie getest en uitgeprobeerd worden. Het eerste (deel)antwoord op de oorspronkelijke vraag van het Lab – wat moet Vrij Nederland doen? – hebben we, dankzij het Lab en de laboranten, gevonden. En nu doorpakken.
Als Vrij Nederland online grote slagen wil slaan, wie of wat betaalt ons salaris?
In een even scherp als confronterend artikel in de Christian Science Monitor stelt media-econoom Robert Picard vorige week de waarde van journalisten ter discussie. Hoewel wij zelf vaak anders denken, bezitten journalisten, in economische termen, geen intrinsieke waarde. Journalisten zijn niet belangrijk van zichzelf. Wij zijn belangrijk omdat we producenten van instrumentele waarden zijn. Die waarden zijn, zo schrijft Picard, het verlichten van het publiek, het ondersteunen van sociale interactie en het faciliteren van de democratie. Picard stelt dat journalisten daarvoor drie dingen moeten kunnen: toegang hebben tot informatie, het bepalen van de betekenis van informatie en het effectief vertellen van die informatie. En, zie, daar is de aap die Picard vakkundig zijn mouw uit laat kruipen: het internet heeft ervoor gezorgd dat deze kwaliteiten niet meer tot het exclusieve domein van ons verslaggevers behoren. Met andere woorden, weblogs, wiki’s, google en twitter hebben de mogelijkheden om ‘oude’ journalistieke waarde te creëren gedemocratiseerd, en uit het geprivilegieerde journalistenpluche gehesen. Het is aan journalisten zelf, willen wij onze ‘titel’ verdienen, om op nieuwe manieren waarde te creëren. (Picard zegt verder dat journalisten door hun waardevermindering een laag salaris behoren te verdienen, maar daar ga ik even aan voorbij: mijn baas leest mee).
Picard’s economische analyse is een andere manier om tot dezelfde conclusie te komen als iedereen die nadenkt over de toekomst van de journalistiek: die journalistiek is gedwongen tot heroriëntatie.
Vrij Nederland realiseert zich dat ook. Om meer waardevol en relevanter te worden zijn wij op zoek naar nieuwe vormen en modellen. Dit vereist stevig omdenken. Dat doen we op de redactie en ook hier, in het VN Lab. Een ding weten we zeker:
willen wij de toekomst in dan zullen wij ons meer met mensen moeten verbinden. Via het blad en online. Dat betekent – naast het maken van een nog betere papieren Vrij Nederland- dat we actiever moeten bloggen, modereren, reageren, co-creeeren. Dat kost tijd, dat kost geld. En geld is een probleem.
We kunnen al wel een tipje van de sluier lichten: de drukpersen blijven draaien. We zullen ook niet ‘goedkoper gaan wonen’ zoals Piet Bakker voorstelt, want we hebben al fors bespaard op onze behuizing. Kortom, er zijn niet zoveel (grote) kosten te besparen. Eerder is het tegendeel waar. Hoe moeten we dan een prijzige online transitie benaderen? Als een investering met het doel om meer printexemplaren te verkopen of als een bron van inkomsten? Is dit laatste het geval, dan komen we in de schimmige ‘verdienmodel’ discussie terecht. Een discussie die door Henk Blanken, de auteur van het recente, lezenswaardige Mediamores wordt vergeleken wordt met de Hoekse en Kabeljauwse twisten: een voortdurende strijd tussen twee partijen die het tegenovergestelde claimen. De ene partij zegt dat content gratis verspreid moet worden en de andere partij vindt dat er voor content moet worden betaald. Voor beide kampen is wat te zeggen. Alleen- om in Blanken’s analogie te blijven – is in deze twist een Zoen van Delft ver te zoeken.
De gedachte was ooit dat met de trek van het publiek van de offline naar de online wereld de adverteerders zouden volgen. Die trek is een feit; meerdere onderzoeken laten zien dat sinds kort online een belangrijker bron van informatie is dan offline. Het op de voet en met volle kracht volgen van de adverteerders blijft vooralsnog slechts een mooie profetie. De kosten van veel mediabedrijven staan in geen verhouding tot de inkomsten in het algemeen, laat staan van advertenties alleen. Er wordt, kortom, door contentproducenten online niet genoeg geld verdiend. Internetpredikers als Jeff Jarvis en Tim O’Reilly reageren soms wat denigrerend op mensen die daar op wijzen. ‘Internet vraag om gratis content’ is hun mantra. En, bovendien, je kunt mensen die gewend zijn aan gratis info niet opeens laten betalen. Ze spreken over API’s, Googlesap en wat dies meer zij. Maar feit is dat deze en andere potentiële verdienmodellen hun waarde nog niet bewezen hebben.
Dit is de kwestie die we nu willen behandelen: Als wij online grote slagen willen slaan, wie of wat betaalt ons salaris?
Recente Reacties